|
Alchemie en de impuls der Rozenkruisers
Toen de Middeleeuwen met de pest, de Honderjarige Oorlog en de vernietiging van de orde der tempeliers over hun hoogtepunt heen waren, werd een nieuwe impuls van de alchemie voorbereid, en wel door Christiaan Rozenkruis (1378-1484). Deze maakte uitgebreide reizen door het Midden-Oosten en bracht van daaruit oude alchemistische kennis naar Europa om deze vervolgens in christelijke zin om te vormen, middels het accent op innerlijke inwijdingsstappen. Dit omdat er een gat in het esoterische christendom dreigde te ontstaan, met name door het beëindigen van de orde der tempeliers en hun werkmethoden, waarop Christiaan trachtte voort te bouwen.
Aanvankelijk trachtte hij deze verder ontwikkelde alchemie te slijten aan de verschillende Europese vorstenhoven, om weer een gemeenschappelijk esoterisch bewustzijn te kweken. Hij vond hier geen gehoor, mede omdat met het martelen en verbieden van de Tempeliers er angst was ontstaan voor esoterie, en stichtte daarop met een klein groepje medewerkers het rozenkruiserdom: een christelijk-esoterische beweging die ten doel had om de verbinding met de geestelijke wereld in experimenten en zelfvervolmaking te kunnen leggen. De inwijding van de rozenkruisers bestaat uit een loutering van zeven stappen, waarbij de ongevormde materie (de prima mater; koolstof) het uitgangspunt is voor loutering. Deze prima mater is zowel de aanvangssubstantie waarmee de wijdeling begint, als zijn eigen aanvankelijk nog ongevormde ziele-geesteswezen. Het doel is om deze substanties zo om te vormen, dat zij in zeven stappen tot goud, en uiteindelijk tot diamant worden. Daartoe wordt de substantie door drie processen geleid; het sulfur (louterend vuur; tot wil en leven wekken), het mercuur (op zelfloze wijze verbinden, oplossen; in het gevoel omvormen) en het sal (de uitkristalliserende kracht van zout; denken en vormgeven).
De zeven inwijdingsstappen van de rozenkruisers zijn:
- prima mater, de ongevormde materie; uiterlijke en innerlijke waarneming hiervan
- dissolutio, oplossen van substantie in water, en in de ziel
- in vivo, tot leven wekken (hierbij de elementenwezens in hun werk aanschouwen)
- arseen; kleuren van en met de ziel
- markassiet; innerlijk tot gloeien komen van de substantie en ziel door de werking van de geest erin
- aurum; de ziel begint door de geest op te lichten; de substantie wordt veredeld (goud)
- in vitro; de geest doorstraalt het lichaam en vormt dit om (diamant)
De rozenkruisers werkten veelal in het verborgene, ondergronds; Christiaan stichtte een verborgen heiligdom, dat tot honderd jaar na zijn dood afgesloten en verborgen bleef. De rozenkruisers verrichtten hun experimenten in het geheim, en berichtten elkaar enkel in symbolentaal van hun vondsten, uit angst voor veruiterlijking van hun streven. Dit met name omdat de buitenwereld lont had geroken van hun streven om goud uit modder (lood) te kunnen maken, wat de nodige machtswellust en hebzucht opwekte. Zij zijn dan ook telkens afgeschilderd als goudzoekers, ondanks dat het bereiden van goud volgens hun scholingsweg slechts een begeleidend effect was dat hen aangaf of en in hoeverre hun geest al was gewekt in hun ziel en het lichaam al had omgevormd. Hun uiterlijk werk in de wereld, althans wat de eerste groepen van broeders betreft, bestond erin, de zieken die ze ontmoetten, te verzorgen en te helpen genezen.
Op zichzelf was het de bedoeling dat de alchemie der rozenkruisers zeker wel een openlijke en substantiële bijdrage zou leveren aan de net begonnen ontwikkeling van de wetenschap in onze moderne tijd. Hiertoe werd 150 jaar na de dood van Christiaan Rozenkruis het geschrift ‘de Chymische Bruiloft van Christiaan Rosenkruis’ door Valentin Andreae opgeschreven en gepubliceerd (1617). Jakob Böhme publiceerde daarnaast ‘Aurora’ in 1612. Belangrijke alchemisten in die tijd zijn Michael Sendivogius, John Dee en Edward Kelley. Bovenal heeft de enorm verwoestende Dertigjarige Oorlog in Midden-Europa (1618-1648) deze impuls verhinderd. Tezamen met zeer bekende tijdgenoten als Galileo en Kepler die (ook) tot een vernieuwing van wetenschap trachtten te komen door microkosmos en macrokosmos met elkaar te verbinden, had hierdoor meer tegenwicht geboden kunnen worden aan de tezelfdertijd door Francis Bacon in Engeland vertegenwoordigde wetenschappelijke methode. Hierbij werd de natuur juist van haar geestelijke eigenschappen ontdaan, letterlijk op de snijtafel werd gelegd en kwam (daarmee) los te staan van de eigen morele ontwikkeling van de onderzoeker.
Toen in de 18e eeuw op een Parijse conferentie ‘chemie’ als nieuwe wetenschap werd bezegeld, (dus zonder ‘Al’; in het Nederlands zeer typerend scheikunde genoemd), publiceerden de rozenkruisers weer een geschrift in een poging een alternatief te bieden. Tezelfdertijd gingen zij in stilte rond over de wereld om verschillende cultuurdragers in die tijd te inspireren. Een bekend voorbeeld hiervan is de graaf van Saint Germain, die vergeefs probeerde de Franse adel aan te zetten tot sociale hervormingen. De leus ‘vrijheid, gelijkheid en broederschap’ zoals die in de Franse Revolutie opdook, herinnert aan dit streven om vanuit een driegeleed mensbeeld, de toenmalige (driestanden)maatschappij om te vormen.
Het eerste Goetheanum: microkosmos en macrokosmos zijn middels twee koepels met elkaar verbonden (geopend 1915 - afgebrand 1922)
Curieus is in elk geval dat mensen als Goethe en Schiller eind 18e eeuw wél tot onderzoekswegen komen waarbij de eigen ontwikkeling van de onderzoeker een grote rol speelt. Zij zijn letterlijk zelf kunstenaars én wetenschappers en zien de mens als verbindende schakel tussen hemel en aarde. Gevolg is dat ze in de loop van de 19e eeuw wel als schrijvers populariteit genieten, maar geen rol spelen in de stormachtige ontwikkelingen in de filosofie en natuurwetenschappen. Een zeer technisch natuurbeeld wordt dominant, met de mens als veredelde aap en de wetenschapper als objectieve onderzoeker. Met de antroposofie van Rudolf Steiner wordt de draad weer opgepakt; niet voor niets noemt hij het door hem ontworpen centrale gebouw van de antroposofische beweging het ‘Goetheanum’. Steiner’s verhouding tot Christiaan Rozenkruis zou op zichzelf een boek vergen; hij refereert vaak aan hem en veel van het bovenstaande is rechtstreeks aan Steiner ontleend.
Als grote lijn kun je stellen dat de alchemie een inspiratieve in- en aanvulling is van het esoterische christendom, welke zich in de Graalslegenden doet tonen. Christiaan Rosenkreuz zelf is een grote ingewijde die eerst in een voorbereidende incarnatie als een jongeling in de 13e eeuw een inwijding doormaakt waarbij hij het fysieke lichaam met alle sterrenkrachten en wereldreligies laat doorstralen, waarop hij sterft. Hierdoor kan hij later als Christiaan Rozenkruis werkmethoden ontwikkelen om via het inspiratieve deze geestmenskrachten (het omvormen van het fysieke lichaam) door hemzelf en anderen die zijn weg gaan, te kunnen wekken. Als zodanig is hij de bode van Mercurius-Rafaël, die met en door het leven heen aarde en mens tracht te genezen, heel te maken door verbindingen tot stand te brengen en processen op gang te helpen.
Door: Ezrah Bakker
Bron: Kettingloos
|